Home
lijn

Columns
lijn

Journalistieke artikelen
lijn

Opinie-artikelen
lijn

Interviews e.d.
lijn

'Aangekruist' (RKK Kruispunt)
lijn

Boeken
lijn

Wetenschap
lijn
Publicaties (NL)
Scholary reviews (EN)
Congresses and lectures (EN)
Proefschrift over Hugo Ball (NL)

Cultuur
lijn
Films
Muziek
Games
Boeken
Reclames
Musicals en theater

Fictie
lijn
Proza
Poëzie

Dossiers
lijn
Religie en internet
Medische ethiek
Politiek en religie
Esoterisch christendom
South Park
Perry Rhodan
Benedictus XVI
Bisdom 's-Hertogenbosch

Speciale acties
lijn
Meest spraakmakende theoloog
Wij blijven katholiek
Wij luiden voor Oranje

Contact
lijn

Disclaimer
lijn

Loftuitingen

"wat een spreker is die man!"
- Mirjam Nieboer (IKON)

"de Lucky Luke onder de theologen: schrijft sneller dan zijn schaduw" - Katholiek.nl

"de Nico ter Linden van de RKK: speelse narratieve theologie"
- Ruard Ganzevoort (VU A'dam)

"eerste hulp bij vragen over populaire relikunst" - Trouw

"de meest geciteerde theoloog in de media" - Brabants Dagblad

"een van de geheime wapens
van de katholieke kerk"
- NRC Handelsblad

"de angry bird onder de theologen"- isidorusweb.nl

"de Theoloog des Vaderlands"
- GoedGelovig.nl

"het midden tussen een gedreven docent en een begenadigd prediker"
- De Scherper

'Present!' Een werkmodel van digitale presentie voor kerkelijke professionals
Wetenschappelijk artikel, Nieuwsbrief WKO, 12-07-11; samen met Eric van den Berg

Kerken, kerkelijke professionals en geëngageerde christenen willen internet vaak maar al te graag gebruiken. Maar hoe doe je dat zonder belerend of opdringerig te worden of zonder beschuldigd te worden van digitale zieltjeswinnerij. Eric van den Berg en Frank G. Bosman bepleiten een nieuwe houding op internet, van digitale presentie.

Miljoenen mensen zijn actief op sociale netwerksites als Hyves, Facebook en Twitter. Internet, en dan met name de zogenoemde sociale media, heeft grote invloed op de manier waarop mensen met elkaar omgaan en contact zoeken. In Nederland heeft 94% toegang tot internet en dat percentage stijgt nog steeds (CBS Statline, 2010).

Kerkelijke professionals hebben daarentegen vaak weinig ervaring met de aanwezigheid of representatie van de lokale christelijke gemeenschap op internet. Kerkelijke sites zijn eerder advertenties voor de eigen activiteiten dan plekken waarop spiritualiteit en heiliging te vinden zijn. Dat bleek opnieuw uit een onderzoek van de IKON (2010).

Enkele pioniers bepalen het gezicht van de kerk online en zoeken op internet nieuwe manieren om gemeenschap te vormen. Zij bedenken bezinningswebsites, twitternovenen, Hyves-psalmen, chatkathedralen, wikigebeden, digitale pelgrimages en vormen van internetpastoraat. Maar vooreerst zijn het nieuwe begrippen uit een wereld die voor veel christelijke kerken nog onbekend is. Hoe kunnen parochies en gemeenten hiermee omgaan?

In dit artikel presenteren wij een werkmodel van digitale presentie voor kerkelijke professionals vanuit de presentietheorie van Andries Baart (Een theorie van de presentie, 2001). Deze presentietheorie van Baart willen wij bezien vanuit het perspectief van de rol van internet en meer specifiek sociale media op kerkpraktijk.

De opbouw van het artikel is dat wij eerstens enkele basisreflecties doen over het begrip 'media' in christelijk-theologische zin. Wij staan stil bij de Vaticaanse documenten Inter Mirifica en Communio et Progressio rond kerk en sociale communicatie. Wij betrekken daarbij begrippen rond kerkgemeenschap en (virtuele) communities.

Vervolgens geven wij enkele voorbeelden uit de praktijk, die uiteindelijk leiden tot een werkmodel van digitale presentie.

Wij beperken ons in dit artikel uit praktische overwegingen tot het kerkelijk spreken over media en internet tot die van de rooms-katholieke kerk. Daar komt bij dat in het Nederlandse taalgebied andere christelijke kerkgenootschappen nauwelijks beleidsmatige uitspraken over dit thema heeft gepubliceerd.

Kerk en media

In het officiële rooms-katholiek denken over sociale communicatie zijn twee kerndocumenten aan te wijzen: Inter Mirifica en Communio et Progressio. IM is het eerste document dat werd in 1963 gepubliceerd ten tijde van het Tweede Vaticaanse Concilie. De ‘grote documenten’ als Lumen Gentium, Gaudium et Spes en Sacrosanctum Concilium zijn nog niet gepubliceerd en hun taalgebruik bepaalt dan ook niet dat van Inter Mirifica: geen woord over de kerk als Volk Gods, Lichaam van Christus, communio, Tempel van de Geest, nog geen woorden over pelgrimage en tastend zoeken naar God. Inter Mirifica is dan ook nog opgebouwd en gestileerd naar de old ways: de theologie is die van het neothomisme en het kerkbeeld dat van de societas perfecta.

De houding is enerzijds open naar publiciteitsmiddelen, zeggende dat media de vooruitgang van de mensheid krachtig kunnen bevorderen, dat het de taak is van de kerk alle publiciteitsmiddelen te gebruiken om de heilsboodschap te verspreiden en dat goede pers moet worden ondersteund.

Anderszijds ademt IM een defensieve houding die zich kenmerkt door achterdocht (de macht van de media tegen die van de kerk), wantrouwen (media bedreigen de goede zeden), waakzaamheid (verkeerd gebruik ervan geeft schadelijke gevolgen voor de mensheid) en irritatie over de media. Dit resulteert in een neiging tot (klerikale) censuur en containment. De kerk probeert de media te controleren als een doos van Pandora, die op het punt staat uit elkaar te barsten. De angst voor deze schijnbaar oncontroleerbare explosie van communicatiemiddelen (hetgeen ook is gebeurd) resulteert in een strikt externaliseren van de media: de media worden buiten de kerk gehouden als zaken die de kerk van nature vreemd en vijandig zijn. De media worden niet geïnternaliseerd als een instrument van communicatie met en van God, zoals Communio et Progressio later wel bepleit. De media behoren aan de staat en haar burgers, welke buiten de kerk vallen zoals zij dan haarzelf ziet: societas perfecta. De kerk heeft in deze zienswijze haar eigen communicatiemiddelen: de sacramenten.

Dit brengt ons op het gegeven dat heel Inter Mirifica een vrij ‘theo-loos’ decreet is: er is geen theologie van het beeld (al was het maar imagio dei), van het Woord (al was het maar ‘in den beginne was het Woord’ of de incarnatio), noch van dialoog of communicatie in transcendente zin. Dat is een gemiste kans: de communicatiemedia en -middelen lenen zich ons inziens juist bij uitstek voor theologiserende reflecties over triniteit, de rol van Jezus of de Geest of het missionaire karakter van de kerk.

Tevens valt het op dat een conciliedocument dat pretendeert terug te gaan naar de bronnen van de kerk en theologie (de schriften), slechts tweemaal (in 24 paragrafen) een schrifttekst citeert. In de laatste paragraaf van Inter Mirifica wordt er met klem gevraagd om het uitbrengen van een pastorale constitutie over hetzelfde onderwerp: de media en de kerk in deze tijd.

In 1971 wordt onder het pontificaat van Paulus VI Communio et Progressio uitgebracht. Deze constitutie kan in tegenstelling tot zijn voorganger wel putten uit de grote documenten van Vaticanum II, hetgeen ook dikwijls gebeurt. Ook gaat het document uitputtender en meer expliciet in op de dogmatische en pastorale kanten van sociale communicatie. Communio et Progressio is opgesplitst in twee delen: eerst een dogmatisch gedeelte (paragrafen 6 tot 18) en vervolgens een veel gedetailleerder pastoraal gedeelte (paragrafen 19 tot 180). Voor de doelen van deze verkennende analyse gaan we vooral gericht in op het eerste dogmatische gedeelte.

Media worden als vanzelfsprekend besproken vanuit een sociologisch-antropologisch oogpunt. Theologisch gezien worden zij behandeld vanuit het perspectief van de sociale ethiek. In zoverre de morele implicaties van de media behandeld worden, wordt dit teleologisch geduid: het doel van de media is eenheid, broederschap en vooruitgang naar de titel van het document (communio betekent immers ‘gemeenschap’ en progressio betekent ‘vooruitgang’). De moraliteit wordt beoordeeld aan de hand van de bijdrage aan het algemeen welzijn (bonum commune), hetgeen kan bogen op een zeer lange traditie binnen de rooms-katholieke orthodoxie.

Er is veel receptie van de grote documenten van Vaticanum II dat zich uit in citaten uit met name Lumen Gentium en Gaudium et Spes. Ook de sociale encycliek Pacem in terris wordt geregeld geciteerd. Er wordt veel meer geciteerd dan Inter Myrifica en vaker uit conciliedocumenten dan uit de schriften of oudste traditie (patristiek of middeleeuwen).

Theologisch is er een ander opvallend aspect. Er wordt veel gesproken over Vader en Zoon, over schepping, incarnatie en verlossing, maar er wordt met geen woord gesproken over de voltooiing of over de aanwezigheid of rol van de Geest in het hele proces van massa- of individuele communicatie. De Geest is toch bij uitstek de grote vertaler tussen God en mens, de begeisterung van de communicatoren en receptanten van de media. Opmerkelijk is het des te meer omdat de Geest in het werkveld van de evangelisatie zo’n belangrijke rol speelt. Een reden hebben we hier niet kunnen vinden en te veronderstellen dat men het vergeten is, kunnen we niet. Wellicht een onderwerp voor verdere studie.

Het document heeft veel aandacht voor degenen die de massamedia aansturen (communicatoren) en voor hen, die de media ontvangen (receptanten), maar er is veel minder aandacht voor de boodschap zelf, behalve dat het de morele wet niet mag verstoren. De boodschap via media moet de eenheid, broederschap en vooruitgang der mensheid stimuleren, maar het document zegt nergens hoe dit te doen. De houding van de kerk ten opzichte van media is veel minder vijandig dan in Inter Mirifica. De media worden hier betrokken bij de verkondiging van de kerkelijke boodschap. De houding is kritisch, maar welwillend.

Kerk en internet

Inter Mirifica en Communio et Progressio stammen uit een tijd dat internettechnologie zich in zijn embryonale fase bevond en voorzichtig beschikbaar kwam voor militaire en educatieve doeleinden in een gesloten omgeving. Dat verandert pas aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Paus Johannes Paulus II sprak reeds in 1989 in zijn jaarlijkse mediaboodschap hoe belangrijk het gebruik van de digitale cultuur is voor de christelijke boodschap. In Dignitatis Humanae schrijft hij:

"Met de komst van computer-telecommunicatiemiddelen wordt de kerk verdere instrumenten aangeboden om haar missie te vervullen. Methodes om communicatie en dialoog tussen haar eigen leden te vergemakkelijken, kunnen verbondenheid en eenheid tussen hen versterken. Onmiddellijke toegang tot informatie maakt het mogelijk voor haar om haar dialoog met de hedendaagse wereld te verdiepen. (…) Het is duidelijk dat de Kerk de nieuwe hulpmiddelen, die dankzij onderzoek in computer en satelliettechnologie ter beschikking worden gesteld, in moet zetten voor de altijd urgente taak om te evangeliseren. Haar vitaalste en urgentste boodschap heeft te maken met de kennis van Christus en de weg van heil die hij aanreikt. Dat is iets wat zij moet aanbieden aan mensen van elke leeftijd, hen uitnodigend om het Evangelie liefdevol te omarmen, altijd in gedachten houdend dat 'waarheid zichzelf niet kan opleggen behalve krachtens de eigen waarheid, die het verstand overwint met zowel zachtheid als kracht."

Paus Johannes Paulus II richt zich in De christelijke boodschap in een computercultuur (1989) met name op jongeren zonder ouderen over te slaan.

"Het is hun taak om wegen te zoeken waarlangs nieuwe systemen van data-opslag en uitwisseling gebruikt kunnen worden om de verbetering van grotere universele rechtvaardigheid, groter respect voor mensenrechten, een gezonde ontwikkeling van alle individuen en volken, en de vrijheden die essentieel zijn voor een volledig menselijk leven, te bevorderen."

Tegelijkertijd zegt de paus:

"Of we jong zijn of oud, laat ons de uitdaging aangaan van nieuwe ontwikkelingen en technologieën, door deze een morele visie bij te brengen die geworteld is in ons religieus geloof, in ons respect voor de menselijke persoon en onze verplichting om de wereld te hervormen in overeenstemming met Gods plan."

De sfeer van deze boodschap wordt verdiept door de documenten Kerk en Internet en Ethiek en internet uit 2002. We merken dat de defensieve houding uit Inter Mirifica volledig is verdwenen. Beide documenten geven een actueel en realistisch beeld van de relatie tussen kerk en internet. Kerk en internet is een optimistisch vervolg op Communio et Progressio en schetst de tweevoudige doelen die de kerk heeft als het gaat om media:

"Samenlevingsopbouw op lokaal, nationaal en regionaal niveau is in het algemeen belang en een geest van solidariteit. Gezien het grote belang van sociale communicatie zoekt de Kerk een eerlijke en respectvolle dialoog met hen die verantwoordelijk zijn voor de communicatiemedia – een dialoog die met name op mediabeleidvorming betrekking heeft. Van de zijde van de Kerk omvat deze dialoog pogingen om de media te begrijpen – hun doelstellingen, procedures, vormen en genres, interne structuren en modaliteiten – en om steun en bemoediging aan te bieden aan hen die bij het werk van de media betrokken zijn. Op basis van deze betrokkenheid en steun wordt het mogelijk zinvolle voorstellen te doen voor het opruimen van obstakels voor menselijke vooruitgang en de verkondiging van het evangelie."

Nu naar de praktijk. De meeste lokale kerkelijke website tonen opvallend genoeg niet de optimistische mogelijkheden uit Kerk en Internet. Homepages laten vaak lege kerkgebouwen zien en slechts in verre minderheid samenlevingsopbouw en een geest van solidariteit. Een gemiddelde kerkwebsite wordt beheerd door één webmaster of één parochiesecretaresse die het in zijn of haar eentje moet bijhouden. De website volstaat vaak om een parochieblad online te plaatsen. Het zijn de uitzonderingen, zoals de website van de evangelisch-lutherse gemeente in Haarlem, die internet (zowel website, als sociale media) gebruiken om aan opbouw van de eigen gemeente te doen. Martijn Arnoldus van die gemeente werkt als één van de weinigen vanuit een concrete christelijke visie om websites en sociale media te gebruiken. Hij zegt daarover:

Zoals John Stott opmerkt in ‘The living church’ wordt koinonia (‘community’, EvdB/FB) daarmee veel te oppervlakkig opgevat; als vluchtig contact of een gemeenschappelijk lidmaatschap. Hij ziet drie lagen van gezamenlijkheid in koinonia: waar we samen in delen (de genade van Vader, Zoon en Heilige Geest), wat we samen delen met de buitenwereld (als geloofsgetuigen) en wat we met elkaar delen (onze verantwoordelijkheid om elkaar lief te hebben). Koinonia heeft dus geen betrekking op een passief delen van bepaalde kenmerken, maar heeft iets actiefs, iets gemeenschapsvormends. Gemeentestichters en kerkvernieuwers uit uiteenlopende hoek zoals Tim Keller, Stuart Murray en Frank Viola stellen gemeenschapsvorming zelfs voorop, als een directe afspiegeling van Gods eigen, drie-enige wezen.

Arnoldus gaat terecht in op het vraagstuk van de virtuele community. Gemeenschap-zijn betekent in het digitale tijdperk niet alleen meer het samenkomen voor de zondagse viering in een bepaald kerkgebouw. Het begrip gemeenschappen danwel communities (volgens Rheingold) is uiterst relevant. Het raakt immers de kern van het kerk-zijn in het betekenisveld rond het Latijnse ‘communio’ of het Griekse ‘koinonia’ en ‘ekklesia’ in relatie tot internet en sociale media.

Het is voor het doel van dit artikel belangrijk het begrip community te duiden. Vaker wordt ‘community’ en met name online communities beschouwd als een oppervlakkige vorm van de traditionele vorm van gemeenschapsvorming. Brint (2001) verstaat onder community, naar Durkheim, ‘een set van variabele eigenschappen van menselijke interactie dat kan worden gevonden zowel tussen traditionele georiënteerde plattelanders van kleine dorpen, als ook tussen de meest gesofisticeerde bewoners van moderne steden’. Brint sluit daarmee aan bij Rheingold (Virtual communities, 1993), die een vertaalslag gaf van het begrip ‘community’ naar de virtuele wereld. Rheingold benoemt deze virtuele communities als ‘sociale aggregaties die ontstaan op het intenet als voldoende mensen publieke gesprekken lang genoeg voeren met voldoende menselijk gevoel om netwerken van persoonlijke relaties in cyberspace te ontwikkelen’.

De christelijke kerken in Nederland zijn zeer beperkt actief om naast de fysieke gemeenschap en het eigen kerkgebouw te werken aan virtuele gemeenschappen. Redenen die daaraan ten grondslag liggen zijn divers, zo blijkt uit het onderzoek van Van den Berg (2010) onder parochies: motivationeel (‘ik geloof niet in een virtuele kerk’), instrumenteel (ik kan geen website bouwen’), demografisch (‘ik ben daar te oud voor’) of situationeel (‘ik heb andere prioriteiten’).

De kerk moet het vooral van individuele christelijke pioniers hebben. ‘Early adopters’ zijn priesters Roderick Vonhögen, Ruud Verheggen en Jack Honings, dominees Fred Omvlee of Lex Boot of protestantse kerkelijk werkers als Coen Wessels. Tegelijkertijd is een groei te zien onder pastores die aansluiten op sociale netwerksites. Kerk en individuele pastores zijn duidelijk nog op zoek naar een eigen digitale identiteit en bijbehorend gedragskader.

Bonding en bridging

De centrale vraag die we in dit artikel voor het voetlicht willen brengen en die voor veel gelovigen, kerken, kerk- en geloofsgemeenschappen, kerkelijk professionals en gekwalificeerde vrijwilligers in hoge mate relevant is: hoe kunnen we internettechnologie gebruiken ten bate van het tonen van het eigen geloof, voor de eigen gemeenschap of daarbuiten en daarbij, vanuit rooms-katholiek perspectief althans, gebruik makend van de inzichten die Vaticaanse documenten hebben gebracht en die ons inziens nog te weinig vertaalslag hebben gekregen in praktische zin.

Kerkelijke professionals en vrijwilligers gebruiken de nieuwe media meestal exclusief vanuit het zenderperspectief. Hierin verschillen ze niet van de hierboven besproken pauselijke documenten. 'Kom naar onze schitterende viering!' - 'Maak kennis met Jezus!' - 'Wil je vrijwilliger worden, meld je dan aan!' of het meer dreigende ‘Het is twee voor twaalf, Jezus redt u’. Dat werkt mogelijk voor zover het om praktische informatie gaat. Men wil vooral informeren of wat zij te bieden hebben: over de vieringen, over het pastoraal team, over een concert of over een catechese-avond bijvoorbeeld.

We komen daarmee op het terrein van sociaal kapitaal en de termen bonding en bridging, zoals Robert Putnam (The Collapse and Revival of American Community, 1995) deze bespreekt. Bonding is daarbij de vorm van sociaal kapitaal dat verbindt tussen mensen die zich in elkaar herkennen, bijvoorbeeld omdat zij hetzelfde geloof delen. Bridging is daarbij de vorm van sociaal kapitaal waarbij bruggen worden geslagen tussen heterogene sociale groepen.

Voor de binnenkerkelijke doelgroep werkt bonding uitstekend, omdat er een bepaald interne verwantschap reeds aanwezig is en expliciet kerkelijk taalgebruik via het web voor insiders is te begrijpen. Dat maakt het ogenschijnlijk gemakkelijker. Echter, het web gebruiken als intern communicatiemiddel is een lastiger verhaal gelet op het multidimensionele karakter van web waar private en publieke communicatie tegelijkertijd plaatsvinden. Het voorbeeld van het plaatsen van een parochieblad online is daarbij tekenend, waarbij het ook nog eens eerder een vorm van informatie dan van communicatie is. Het online parochieblad is in onze betekenis geen digitale presentie noch van bonding maar een vertaalslag van traditionele communicatie op een nieuwe plaats.

Internet biedt mogelijkheden tot bonding dat verder reikt dan informeren over lokale zaken of kerkelijk nieuws. Vormen zijn internetfora of chatkathedralen, waar mensen bijeen komen om van gedachten te wisselen over geloof of de wens tot gezamenlijk gebed tot uitdrukking brengen. Er zijn inmiddels traditionele fora, zoals het (reeds ter ziele gegane) ‘Katholieke Gesprekshoek’ en ‘Aan de rand van het kerkplein’ of het katholieke internetforum Rorate.com dan wel recente variaties daarop via gesprekken op sociale media zoals Facebook, Hyves en Twitter.

De sociale media zijn bovendien niet zo zeer een normatief fenomeen, alswel een middel waarbij de deelnemers zelf de diepgang bepalen, en toelaten. Een monastieke twitternoveen, een protestantse adventsactie en zelfs een ‘katholieke twitterkwis’ zijn uitingen op sociale media waarbij de deelnemers zichzelf met elkaar verbonden voelen vanuit de eigen inspiratie. Dit blijkt uit de reacties op deze acties, bijvoorbeeld op twitter. Een voorbeeld van bonding op gebedsniveau is de geloofscommunity op Beliefnet of Tangle, waarbij de deelnemers gebeden plaatsen, voor elkaar bidden en bemoedigen of elkaars gebedsintenties bespreken.

Naast bonding komt ook bridging voor. Bridging past bij het intrinsiek missionaire karakter van christelijke kerken. Geloofsgemeenschappen willen naar buiten treden om de Blijde Boodschap te verkondigen en nieuwe mensen te bereiken. Die outreach heet missie, evangelisatie of het afgeven van getuigenissen. Voor deze buitenkerkelijke doelgroep is het doel bridging, verbinding maken. Om de website of sociale media als extern communicatiemiddel aan te wenden is een impliciet spiritueel, algemeen taalgebruik nodig. Bij interreligieuze dialoog is Bruggenbouwers.com en Nieuwwij.nl voorbeelden van website die bridging beogen, bij evangelisatie zijn dit Jesus.net, de Waarom Jezus-internetcursus of christelijke datingwebsites als FunkyFish.

Er zijn minder bridging-initiatieven dan bonding-initiatieven. Online projecten die zich richten op het overbruggen van sociale en confessionele verschillen zijn in de minderheid, maar zijn in onze observatie kwalitatief gezien veel beter dan de webprojecten die zich op de eigen doelgroep richten.

Een werkmodel voor digitale presentie

Zowel bij bonding als bridging is aanwezigheid of presentie een centraal begrip. In vele beroepsgroepen is de presentietheorie bekend als 'De dikke Baart'. Dit is inmiddels een gevleugeld begrip geworden. De presentietheorie wordt door Andries Baart uitgewerkt in Een theorie van de presentie. De publicatie biedt een analyse van beroepspraktijken, waarin de hulpverlener nabij wil zijn aan mensen en zich nauwgezet afstemt op wie bijstand zoekt. Aandachtige betrokkenheid vormt zo de grondslag van zorg. In diverse beroepsvelden heeft de presentiebenadering een welkom onthaal gekregen in pastoraat, diaconaat, geestelijke verzorging, psychiatrie, opbouw- en welzijnswerk, verpleegkunde alsook palliatieve zorg. Op zijn eigen website (presentie.nl) definieert Baart zijn begrip van presentie:

"Een praktijk waarbij de zorggever zich aandachtig en toegewijd op de ander betrekt, zo leert zien wat er bij die ander op het spel staat – van verlangens tot angst – en die in aansluiting dáárbij gaat begrijpen wat er in de desbetreffende situatie gedaan zou kunnen worden en wie h/zij daarbij voor de ander kan zijn. Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan. Een manier van doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en liefdevolle trouw."

Baarts theorie is in de eerste plaats gericht op pastorale professionals en bedoeld voor gebruik in een basis- en categoriaalpastorale context. Wij zien in zijn presentietheorie een aantal elementen die toegepast kunnen worden op het digitale pastoraat van onze tijd, die wij hieronder willen beschrijven en toepassen.

Succesvolle voorbeelden van sociale media-initiatieven zijn vooral die personen, bedrijven of organisaties die niet zendergericht zijn, maar een ontvangende, luisterende houding aannemen. Dat sluit aan bij de presentietheorie van Baart, die voorstaat dat een zorggever op de ander toegewijd is. Een succesvolle kerkelijke professional zou in eerste instantie veeleer een ontvanger en een deler van informatie willen zijn. Hij of zij deelt zijn leven met mensen uit zijn eigen digitale omgeving. Dat wil zeggen dat hij of zij aanwezig is, als particulier of in naam van zijn of haar gemeenschap, in de digitale ruimte: surfen, mailen en actief zijn op sociale netwerksites als Facebook, LinkedIn, Hyvesen Twitter.

Dat brengt ons bij ons werkmodel voor digitale presentie voor kerkelijke professionals. Een van de doelen van presentie op sociale netwerksites is het digitale leven met elkaar te willen delen. Dit kan op vier niveaus: als individu, als vertegenwoordiger van een geloofsrichting, als vertegenwoordiger namens een kerkelijke organisatie of als kerkelijke organisatie zelf. Binnen dit model van digitaal kerkelijk leven wordt het eigen geloof of spiritualiteit present gesteld voor of namens de geloofsgemeenschap waaruit de deelnemer voortkomt. Je maakt er geen geheim van dat je werkzaam bent voor parochie of gemeente als pastor of vrijwilliger, maar je beperkt je digitale leven daar niet toe. Het is een onderdeel of aanvulling ervan. Ook maak je geen geheim van de spiritualiteit of geloofstraditie waardoor je je geïnspireerd voelt, maar ook dat is niet iets dat je in elke tweet, blog of posting hoeft te laten doorklinken. Vooral op individueel niveau tot het niveau van vertegenwoodiger namens een organisatie werkt een digitale presentie optimaal, omdat de deelnemer een gezicht heeft en als zodanig bekend is. Sociale media werken immers vooral door op persoonlijk niveau en vooralsnog minder op organisatieniveau.

De doelstelling van de christelijke internetter kan getuigenis, pastoraat of evangeliserend zijn, maar ook vermaak of informatievoorzienend, of een combinatie van deze doelen. Afhankelijk van die doelstelling zullen de principes achter bonding en bridging worden toegepast.

In ons model van digitale presentie werkt dat op het moment dat een ontvangende houding wordt aangenomen. Pas als de context van de gesprekken op de digitale netwerken waarin je je bevindt, daartoe aanleiding geven, breng je expliciet je religieuze en spirituele inspiratie ter sprake, dat zich op een dieper niveau afspeelt van het alledaagse digitale gesprek. Dit zal voornamelijk gebeuren op existentiële momenten als geboorte, dood, rouw, ziekte of scheiding.

Naast een luisterhouding is binnen het model van digitale presentie vooral ook contextualisatie een sleutelbegrip. Een voorbeeld van een succesvolle digitale presentie is te zien bij katholiek priester Roderick Vonhögen. Hij is als pastor bekend op sociale media, maar gedraagt zich in eerste lijn niet als zodanig. Zo laat hij op Facebook berichten achter over games als Farmwille, over afvallen of over reizen die hij maakt. Hij maakt podcasts rond thema’s die mensen uit een niet-christelijke setting raken. Vonhögen omarmt bridging via sociale media, maar niet als expliciete evangelist. Dit heeft te maken met een van de kernwaarden van Baarts theorie van presentie: het gaat om belangenloze aanwezigheid, nie

Dat past naadloos in onze theorie, omdat iemand als Vonhögen zich niet hoeft in te werken in de digitale context en gemeenschap, omdat hij er vanzelfsprekend al is. Hij is digitaal present en als representant van de kerk aanwezig als luisterend en participerend medium. De community beschouwt hem niet als een wijsneuzige indringer in hun groep, maar zal de inbreng - juist vanuit de niet verzwegen professionaliteit of betrokkenheid – positief waarderen. Uit onze eigen ervaringen met deze presentiehouding op internet blijkt deze positieve houding. De herkenbaarheid van de priester door zijn collaar als avatar en het delen van alledaagse onderwerpen, vergroot de digitale presentie alsook de kans dat Vonhögen zijn doel, evangelisatie letterlijk tot de einden van de wereld, kan bereiken. Dit blijkt uit de indrukwekkende bezoekerscijfers die Vonhögen behaalt met zijn theologische besprekingen van voornamelijk films, en de internationale (positieve) persaandacht die hij hiermee gegenereerd heeft, tot en met een interview met de Amerikaanse nieuwszender CNN.

Daarmee stelt hij tevens Christus zelf present in de digitale ruimte. Dat doet uiteindelijk elke gelovige internetter, die professioneel of vrijwillig bij de kerk is betrokken. Hij of zij probeert in elke digitale handeling Jezus zelf tegenwoordig te stellen en daardoor Hem en zijn genade te bemiddelen. In die zin worden de nieuwe internetpastores 'digitale christussen', naar Paulus. En in die zin is elke 'online christen' een 'medium' van God zelf. Daardoor kan Gods geest over het digitale web waaien en zijn werk doen.

Tot besluit

In dit artikel hebben wij een werkmodel willen presenteren voor een nieuwe houding van kerkelijke professionals in sociale media. In een houding van digitale presentie kan elke christen, professioneel of vrijwilliger bij een kerk of geloofsgemeenschap betrokken of niet, God zelf present stellen in zijn of haar digitale communities. Deze presentie is impliciet en reactief: eerst het gewonen digitale leven delen, en pas op de existentiële momenten in het leven van de digitale gemeenschapsleden God expliciet mediëren, niet door Hem op te dringen, maar door Hem present te laten zijn in de gedeelde aandacht voor iedereen die je ontmoet in de digitale ruimte.

Volgens ons kan deze digitale presentie een nieuwe richting geven aan de hedendaagse kerkelijke reflectie over media in het algemeen en over nieuwe media in het bijzonder. Het is een spreken dat vooral gekenmerkt wordt door een afwachtende houding, soms licht wantrouwen en vooral door een zendergerichte benadering. Onze overtuiging is dat een dergelijke zenderhouding in het huidige mediaparadigma niet meer voldoet om God ter sprake te brengen in onze laatmoderne of zelfs postchristelijke samenleving. De nieuwe manier om God present stellen is in woorden en daden, die gebaseerd zijn op de reputatie als betrouwbaar lid van de digitale communities. Pas dan kan God ter sprake gebracht worden, in het geschonken vertrouwen in de mannen en vrouwen die Hem bemiddelen.

Bron: Dit artikel is gepubliceerd in de Nieuwsbrief van het Werkverband Kerkelijk Opbouwwerk (juni 2011).

...

Op alle pagina's is een disclaimer van toepassing. Deze site wordt niet gesponsord, noch door reclame financieel ondersteund.
Overgenomen teksten zijn van de eigenaar van deze site zelf of noemen hem bij name.